STW

16 september 2016

Geen reacties

Home Blog

Hof concludeert Feitelijke samenwoning geen vereiste voor artikel 1:160 BW

Hof concludeert Feitelijke samenwoning geen vereiste voor artikel 1:160 BW

In juni 2016 doet het gerechtshof van Arnhem-Leeuwarden een opmerkelijke uitspraak in het kader van partneralimentatie betaling van de man aan de vrouw.

De situatie van echtscheiding en een nieuwe relatie

Het huwelijk tussen man en vrouw is door echtscheiding ontbonden. De vrouw heeft inmiddels in X een nieuwe partner gevonden. De rechtbank heeft een door man aan vroude te betalen partneralimentatie vastgesteld. De man gaat in hoger beroep, stellende dat de vrouw op 1 april 2013 is gaan samenleven met X als waren zij gehuwd en dat dientengevolge zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw van rechtswege is geëindigd (artikel 1:160 BW).

De vrouw erkent een duurzame affectieve relatie met X te hebben, maar ontkent met hem samen te wonen als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW. In casu is dus niet aan de cumulatieve vereisten van artikel 1:160 BW voldaan, aldus de vrouw, die er op wijst dat zij en X ieder hun eigen woning hebben.

Dagelijks samenleven in lotsverbondenheid gedurende een zekere tijd

Het hof oordeelt dat de levens van de vrouw en X in de loop van hun relatie zodanig vervlochten zijn geraakt, dat gesproken kan worden van een (praktisch) vrijwel dagelijks samenleven in lotsverbondenheid gedurende een zekere tijd, waardoor dit samenleven de kenmerken draagt van een huwelijk als bedoeld in artikel 1:160 BW. Het hof neemt daartoe de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:

  • de vrouw verblijft sinds 1 april 2013 vrijwel ieder weekend bij X. Dit verblijf duurt in ieder geval van vrijdag tot maandag, maar regelmatig gaat zij al op donderdagavond naar X, of blijft zij tot dinsdagmorgen bij hem;
  • de ouders van de vrouw zijn, omdat hun dochter zo veel en zo vaak bij X verblijft, naar de woonplaats van X verhuisd.

Per saldo, zo oordeelt het hof, brengen de vrouw en X zodanig veel dagelijkse momenten met elkaar door in elkaars woningen, dat daarmee voldoende vast staat dat vanaf 1 april 2013 sprake is van een samenwoning tussen hen. Dat de vrouw in ieder geval van dinsdagmorgen tot donderdagavond in [haar eigen woonplaats] verblijft, daar eigen woonruimte heeft en haar onderneming drijft, gaat sporten en sociale contacten met vrienden en familie onderhoudt, leidt niet tot een ander oordeel.

Gemaakte eigen kosten werden niet onderbouwd

Hoewel de vrouw heeft verklaard dat zij haar eigen kosten voldoet en X heeft verklaard dat de vrouw tijdens haar verblijf bij hem haar eigen boodschappen doet, heeft de vrouw dit niet met bewijsstukken onderbouwd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat X de kosten van de huishouding ook voor de vrouw voor zijn rekening neemt gedurende de tijd dat zij bij hem verblijft.

Verder is gebleken dat de vrouw en X regelmatig samen op vakantie gaan. Ook de uitgaven die de vrouw stelt te doen voor deze vakanties, heeft zij niet nader onderbouwd, zodat het er voor moet worden gehouden dat X een aanzienlijk deel van de kosten van de vakanties voor de vrouw voor zijn rekening neemt.

Voorts is gebleken dat de vrouw en X veel sociale activiteiten met vrienden en familie gezamenlijk ondernemen en dat deze met name in [de woonplaats van X] plaatsvinden. De vrouw vergezelt X naar activiteiten van zijn voetbalclub en zijn carnavalsvereniging. Dat de vrouw, zoals zij stelt, hierin minder actief betrokken is dan X en dat zij en X daarnaast ook sociale activiteiten hebben waarin de ander nauwelijks is betrokken, doet hier niet aan af.

Het oordeel van het hof – toch sprake van samenwonen en gemeenschappelijke huishouding

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, vastgesteld door o.a. een partneralimentatie onderzoek is het hof van oordeel dat vanaf 1 april 2013 sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging tussen de vrouw en X.

Het hof betrekt bij zijn oordeel dat het in het huidige tijdsgewricht, waarin echtelieden ook niet meer jegens elkaar verplicht zijn tot samenwoning, in het algemeen zeer wel mogelijk is dat personen die een duurzame affectieve relatie met elkaar onderhouden en die samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, kiezen voor een invulling van hun dagelijkse leven waarbij zij niet iedere dag en nacht met elkaar doorbrengen en waarbij zij niet alle financiële middelen met elkaar delen.

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank, verklaart voor recht dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 april 2013 is geëindigd op grond van artikel 1:160 BW en legt aan de vrouw een terugbetalingsverplichting op.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4501

Maak gebruik van onze dienst Partneralimentatie onderzoek